Armando

Herman Dirk van Dodeweerd
Kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker
Amsterdam 1929 – 2018 Potsdam
Armando
Armando was voor hem zijn officiële naam; zijn geboortenaam, “het pseudoniem” zoals hij het noemde, bestond voor hem niet meer. Zelf zag hij al zijn werk gezamelijk als ‘Gesamtkunstwerk’.
De basis voor dit gesamtkunstwerk is de Tweede Wereldoorlog.
Of zoals Armando het zelf zegt: “Alles wat mijn werk betreft komt voort uit 40-45”. Zo schrijft hij in 1967 het boek “De SS-ers” waarin hij acht Nederlanders aan het woord laat die tijdens de oorlog tot de SS zijn toegetreden. Hij refereert ook in zijn schilderkunst vaak aan de gruweldaden van de nazi’s.
jeugd
Herman’s Italiaanse grootmoeder noemt zijn kleinzoon liefkozend Armando, de Italiaanse variant van Herman. Vlak voordat de Tweede Wereldoorlog uitbreekt trekt het gezin weg uit Amsterdam naar Amersfoort.
concentratiekamp Amersfoort
Armando groeit op in de buurt van concentratiekamp Amersfoort en maakt de oorlog dan ook van dichtbij mee. Armando speelt tijdens de oorlogsjaren vaak in de bossen in de buurt van het kamp. In het kamp wachten gevangenen voornamelijk op doorvoer naar Duitsland. De executieschoten, het geluid van schreeuwende gevangenen, de kaalgeschoren vrouwen die na de bevrijding geschopt en geslagen werden: het zijn herinneringen die hij zijn leven lang niet meer kwijtraakt.
violist
In 1945 trad Armando op als violist in het bevrijdingsleger. Later speelde hij ook als violist in het zigeunerorkest van Tata Mirando.* In 1995 ontvangt Armando een Edison voor het album ‘The Violinist’.
opleiding
1948 Armando behaalde Gymnasium-alpha aan het Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt te Amersfoort in 1948 en verhuisde in 1949 naar Amsterdam, waar hij een studie Kunstgeschiedenis aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam deed tot 1954.
1954 – 1965
Armando had in 1954 zijn eerste eenmanstentoonstelling in Galerie Le Canard te Amsterdam en zijn debuut als dichter in Podium. Podium was een Nederlands literair tijdschrift dat bestond van 1944 tot 1969. Vooral in de jaren 1950 was Podium een vooraanstaand tijdschrift, gericht op experimentele kunst. Tijdschrifthistoricus Piet Calis beschouwt het als een van de vijf belangrijkste tijdschriften voor de ontwikkeling van de literatuur in de jaren na de oorlog.
Als beeldend kunstenaar maakte Armando deel uit van de in 1957 door Jan Henderikse opgerichte ‘Nederlandse Informele Groep’ (o.a. met Kees van Bohemen, Jan Henderikse, Henk Peeters en Jan Schoonhoven). In 1958 werkte hij voor de krant ‘De Haagse Post’.
In 1960 ging de Nederlandse Informele Groep op in de Nederlandse Nul-beweging, waarvan hij medeoprichter was. De leden van de Nul-groep brachten in hun werk een geheel nieuwe, verwondering wekkende visie op bekende dingen.
Een voorbeeld: Armando creëerde Het zwarte water, een bassin gemaakt van zwart plastic, gevuld met enkele centimeters water, maar met een grote diepte-illusie. In 1962 hadden zij hun eerste tentoonstelling ‘Nul’ in het Stedelijk Museum Amsterdam.
Gard Sivik en De Nieuwe Stijl
Vanaf 1959 tot 1965 was Armando redacteur van tijdschrift Gard Sivik. Vanaf 1965 was hij als dichter en kunstenaar ook betrokken bij De Nieuwe Stijl als redacteur. De Nieuwe Stijl is een voormalig literair tijdschrift voor avant-garde poëzie en literatuur met werk van de internationale avant-garde
Het tijdschrift werd in 1965 opgericht door Armando, Hans Sleutelaar, C.B. Vaandrager en Hans Verhagen als opvolger van het literaire blad Gard Sivik.
Zij waren de voornaamste vertegenwoordigers van de Zestigers, een literaire groep volgend op de Vijftigers.
Karakteristiek aan hun werk was een nieuw realisme en een nieuwe zakelijkheid. Sleutelaar en Vaandrager hadden enige jaren reclameteksten geschreven, en Sleutelaar had de naam ook bedacht als pakkende slogan. Met de naam zelf verwezen ze naar De Stijl uit de jaren 1920 rond Theo van Doesburg.
De intentie was om de ‘Nieuwe Poëzie’ en het beeldende werk van de Nederlandse Nul-beweging als een geheel te presenteren. Het tijdschrift is in twee jaarlijkse nummers verschenen. Een derde nummer is er door onderlinge strijd niet gekomen.
Herenleed
Tussen 1971 en 1997 maakt Armando met Cherry Duyns de televisie- en theaterserie Herenleed. Eerst bij de AVRO, later bij de VPRO. De serie heeft als ondertitel ‘een programma van weemoed en verlangen’ en bevat absurdistische sketches van de twee heren Man 1 (Armando) en Man 2 (Cherry Duyns). Hoewel niet iedereen altijd begrijpt waar de serie over gaat breekt Armando door bij het grote publiek.
Amsterdam-Berlijn
Vanaf 1979 woonde hij ruim 25 jaar afwisselend in Amstelveen en Berlijn, waar hij tot 1989 in het oude atelier van de nazi-beeldhouwer Arno Breker werkte.
Internationaal breekt Armando door na zijn verhuizing naar Berlijn. Vanaf 1989 woonde hij in Amstelveen.
het Armando Museum in brand.
Op 8 december 1998 opent in Amersfoort het Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort. De droom van Armando is dat het museum na zijn dood al zijn werken verzamelt.
Een grote brand op 22 oktober 2007 maakt een einde aan deze droom. De bruiklenen van andere kunstenaars en 34 schilderijen en een beeld van Armando gaan in vlammen op. Bij elkaar hebben deze werken een verzekerde waarde van vier miljoen euro. Een groot deel van het persoonlijke archief van Armando is verwoest door de brand.
Aan De Volkskrant vertelt Armando: “Ik denk niet in de eerste plaats aan mijn eigen werken die deel uitmaken van de bijzondere tentoonstelling. Een aantal van de geleende werken is onvervangbaar.” Over zijn eigen werk zegt hij: “Dat ruimt lekker op”.
Een deel van de geredde collectie werd overgebracht naar het nieuwe Museum Oud Amelisweerd (MOA) in Bunnik. De eerste tentoonstelling van deze collectie in Oud-Amelisweerd werd op 21 maart 2014 door prinses Beatrix geopend.
onderscheidingen
Armando ontving vele onderscheidingen:
1977 – De Herman Gorterprijs voor Het gevecht.
1984 – De F. Bordewijk prijs voor Machthebbers, verslagen uit Berlijn en Toscane.
1984 – De Multatuli prijs voor Machthebbers, verslagen uit Berlijn en Toscane.
1985 – De eerste Jacobus van Looy prijs, een vijfjaarlijkse oeuvreprijs voor dubbeltalenten.
1987 – De Gouden Ganzenveer voor zijn bijdrage aan het Nederlands cultureel bezit en de verspreiding daarvan in Europa.
1989 – De Multatuliprijs voor De straat en het struikgewas.
1990 – Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
2006 – Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
2009 – De Gouden Eremedaille voor Kunst en Wetenschap verbonden aan de Huisorde van Oranje
2011 – De VSB Poëzieprijs voor Gedichten 2009.
publicaties
Vanaf 160 tot zelfs postuum in 2019 verschenen vrijwel elk jaar poëtisch werk van zijn hand.
Als een rode draad door zijn proza loopt de verwerking van het verleden door de overlevenden van de oorlog, vooral door de Duitsers zelf, en de vele schakeringen daarin die hij opmerkte.
overlijden
De laatste jaren van zijn leven brengt Armando door in het Duitse Potsdam, waar hij in 2008 naartoe verhuisde. Armando overleed op 1 juli 2018 op 88-jarige leeftijd. Veertien dagen voor zijn dood maakt hij zijn laatste schilderij.
openbare collecties
Zijn werk is o.a. opgenomen in het Chabot Museum Rotterdam, Museum Het Valkhof, in Wassenaar, Museum Voorlinden te Nijmegen, Museum EICAS, Deventer, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam en het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum en het Joods Historisch Museum te Amsterdam.
Fillmpje van Armando in concert met het zigeunerorkest Tata Mirando* zie hier
bron: wikipedia/npokennis.nl/collecties.kb.nl
fotobron: ‘De fascinatie van Armando voor de oorlog‘, Beeldspraak, 14 nov. 1976, screenshot.
*over Tata Mirando, het orkest waar Armando ook mee speelde als violist.
Het orkest van zijn vader, waarin Josef Weiss contrabas/viool speelde, werd in Duitsland, in de tijd dat ze daar verbleven, wel de Zigeunerkapelle Weiss genoemd. Het werd al in 1900 opgericht.
De naam Tata Mirando ontstond later. De artiestenvoornaam ‘Tata’ betekent vader. Ze trokken met woonwagens door Europa en speelden dan hier, dan daar. Zo kwamen ze in Duitsland terecht waar veel belangstelling bestond voor zigeunermuziek. In die jaren werd aan het orkest het predicaat ‘koninklijk’ verleend door groothertogin Louise van Baden en Keizer Wilhelm II; het orkest trad daar aan het hof op.
oorsprong
De Sinti komen van oorsprong uit India. Ze behoren tot de Roma en zijn een van de zes belangrijkste groepen ervan, die nog verder onder te verdelen zijn. Ze arriveerden vóór 1500 al in Europa. De Sinti familie Weiss is afkomstig uit de Bialendi stam. De Roma en dus ook de Sinti, spreken onderling ook Romani, Romanes of Rom, hun ongeschreven taal. Volgens linguïsten komt die taal overeen met een taal in Noord-India. Ze hebben overeenkomstige gewoontes en genetische verwantschap met Indiërs. Ook hun cultuur is tamelijk Indiaas. De route die ze aflegden en hun leefwijzen onderweg, waren zelfs door leenwoorden uit de betreffende landen na te gaan
vervolging Sinti
Nadat Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam, nam de vervolging van Joden, Roma – waaronder de Sinti – en andere groepen steeds ergere vormen aan. Toen in 1937 mensen om hen heen begonnen te ‘verdwijnen’, begaven Josef en zijn vrouw en hun 15 kinderen zich terstond naar Nederland, met achterlating van vrijwel al hun bezittingen. Ze ontfermden zich in en na de oorlog ook over de kinderen van zijn broer Heinrich.
circus Toni Boltini
Als gevolg van de Sinti-vervolging zocht de familie Weiss een beschermde plek en vond die in het circus van Toni Boltini, waar ze zich – met valse persoonsbewijzen – bij aansloten als circusorkest met de naam de Zwarte Raven. Ze hielden de schijn op dat ze Zwitsers waren. Bij het circus speelden ze zelfs voor de Wehrmacht en waren daardoor voor vervolging gevrijwaard, althans, in het begin. Ook was een aantal leden van de familie ondergedoken in Amsterdam.
kamp Vught en daarna kamp Westerbork
Orkestleden werden opgepakt en afgevoerd naar kamp Vught en daarna kamp Westerbork, waar ze van de dood werden gered door Toni Boltini, die voorkwam dat ze zouden worden afgevoerd naar Auschwitz. Door hem kregen ze de naam ‘De Mirando’s’.
Dat ze de Tweede Wereldoorlog overleefden, hadden ze aan vele zaken te danken: aan Josefs geboorte in Zwitserland – in de oorlog een neutraal land – zijn goede muzikaliteit en wat dat betreft, hun goede naam in Duitse officierskringen, zijn goede papieren, bluf, smoezen, onderduiken, enzovoort.
Josefs broers overleefden de Porajmos (een Romani woord) niet. Bijna zijn hele familie werd uitgemoord, behalve één nichtje, dat tijdens een transport van het concentratiekamp Auschwitz naar elders, uit de trein ontsnapte en zo overleefde.
Nederland
Door de oorlog belandden de Mirando’s dus in Nederland en na de oorlog beviel ze dat goed. “Nederland is voor mij het beste land van Europa”, zei hij later. Voor de aanbiedingen die hij kreeg om weer in Duitsland te komen spelen, paste hij; daarvoor was er te veel gebeurd. Hij vestigde zich in het dorpje Cruquius in de Haarlemmermeer en verdiende zijn brood als vioolbouwer – dat vak had hij van zijn vader geleerd – en met hier en daar muziek maken. De familie woonde ook lange tijd aan de Trekweg in Den Haag en trad dan op in het Kurhaus in Scheveningen, bij welgestelde families en voor het Koninklijk Huis.
De familie Weiss woonde eerst in woonwagens, maar onder andere vanwege de (‘nieuwe’) woonwagenwet, waardoor ze in Nederland niet meer mochten gaan en staan waar ze wilden, kwamen ze steeds meer in huizen te wonen.
