Henri Frederic Boot

Maastricht 1877 – 1963 Haarlem

Henri schilderde en aquarelleerde portretten, stillevens, interieurs en landschappen. Zijn werk, dat ook tekeningen, litho’s en houtsneden omvat, is opgenomen in verschillende collecties, onder andere in die van het Frans Hals Museum in Haarlem, het Gemeentemuseum Den Haag, het Singer Museum in Laren en de Rijkscollectie. Hij was de nestor van de Haarlemse school.

Tot zijn vele leerlingen behoorden onder andere Anton Heyboer en de in het Joods Virtueel Museum vertegenwoordigde Jules Chapon en Kees Verwey. Tijdens WO II toonde Boot zich een collaborateur met de Duitsers.

Afkomst en opleiding
Henri Boot werd in Maastricht geboren en groeide op in een gegoede familie waar hij een traditionele opvoeding kreeg. Hij was een zoon van Cornelis Hendrik Boudewijn Boot (1843-1915) en Anna Francina Margaretha Saint Ange Chasselat (1845-1934). 

Boot was al vroeg een leerling van schilder, tekenleraar en fotograaf B.J.C. Weingartner te Breda.

Leiden
Na het gymnasium volgde hij een jaar de studie klassieke talen aan de Universiteit van Leiden. Zijn passie voor het schilderen bleek echter sterker.

Rotterdam
 Van 1895 tot 1899 volgde hij de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam onder leiding van Johan Hendrik Wijtkamp. Hij kreeg les van A.H.R. van Maasdijk, Dirk Gerard Ezerman en Rein Miedema.

Haarlem
Voordat Boot zich in 1907 vestigde in Haarlem, woonde en werkte hij in Breda, Rotterdam, 4jaar in Nes op Ameland, Spaarndam en Amsterdam. 

Anton Heyboer
Circa 1908 betrok hij op Klein Heiligland in Haarlem een huis waarvan hij kamers verhuurde, o.a. aan Anton Heyboer. Bijna een halve eeuw woonde hij daar, in een sterk vervuild woonhuis en atelier, waar hij ook les gaf aan zijn vele leerlingen.

Boot gaf les aan diverse jonge schilders in en buiten Haarlem, waaronder Otto de Kat, René P. Tonneyck, Poppe Damave en vele andere jongere kunstenaars zoals Louis Ferron, die op jonge leeftijd echter koos voor het schrijverschap. Ook Anton Heijboer was een leerling van hem alsmede Kees Verwey, die hij ontmoette in 1918 en hij onderricht gaf in de traditie van Vermeer en Breitner.  

Kees Verwey zei later over zijn leermeester: ‘De tijd die ik als leerling bij hem in het atelier doorbracht was enerzijds de verschrikkelijkste periode in mijn leven, anderzijds de meest grootse. Ik leerde er de armoede, de vernedering, de stokslagen verdragen waar elk leven om vraagt dat zich klaarmaakt voor ene grote strijd.’

De ambachtelijke kant van kunst
Boot was een conventionele schilder, voor wie het doorgronden en vastleggen van de alledaagse werkelijkheid het hoogste doel was. De ambachtelijke kant van kunst stond voor hem centraal, net als zijn fascinatie voor het eenvoudige volkse leven. 

Een goede kunstenaar behoorde in zijn opvatting niet tot de elite, maar diende een vakman te zijn die in armoede moest ploeteren totdat zijn werk af was. 

WO II
Voor de belangen van zijn ‘ploeterende’ mede-kunstenaars zette Boot zich zijn leven lang in als actief lid van vele kunstenaarsverenigingen, waaronder ook de Kultuurkamer tijdens WO II die was ingesteld door de Duitse bezetting. 

Dit laatste zorgde ervoor dat veel Haarlemmers hem na de oorlog met gemengde gevoelens bekeken. 

Toch bleven zijn vrienden, waaronder Godfried Bomans, Lodewijk van Deyssel, Harry Mulisch en de beeldhouwer Mari Andriessen, hem na die tijd trouw.

stillevens
Het oeuvre van Boot bestaat uit portretten, interieurs, landschappen en vele stillevens, alle geschilderd in een tonale stijl die onmiskenbaar schatplichtig is aan de schilderkunst van de negentiende eeuw. Boot was een klassiek schilder; hij ging niet mee met het modernisme. 

Op tentoonstellingen exposeerde hij voornamelijk met stillevens, waarvoor hij een grote voorkeur had. Zelf zei Boot: ‘Het stilleven is toch eigenlijk de mooiste uiting’

In zijn stillevens toonde Boot vaak een ’toevallig’ hoekje van zijn atelier. Er komen objecten van verschillende materialen in voor: een gipsen beeldje, glazen flesjes, een houten tafelpoot op een houten vloer enzovoorts. 

Zo werd het stilleven bij Boot een uitsnede van een klein onderdeel van het grotere atelier, dat hem de mogelijkheid bood om een variatie aan verschillende materialen te verbeelden. 

afkeer van hygiëne
Boots afkeer van hygiëne was legendarisch. Hij waste zich weinig en toen een model eens met een teil water aan kwam lopen om zich te verfrissen, verbood hij haar dat. 

Toen na zijn dood een deel van de correspondentie van Boot werd ontdekt, moest zijn biograaf er met speciale handschoenen doorheen, omdat de brieven te vies waren geworden om ze aan te pakken.

overlijden
Henri Boot overleed in 1963 op 86-jarige leeftijd te Haarlem. Ondanks zijn oorlogsverleden werd hij, bij wijze van postuum eerbetoon, opgebaard in de Renaissancezaal van het Frans Hals Museum. 

Het was een eer die geen kunstenaar in Nederland ooit ten deel was gevallen. 

Ondanks zijn oorlogsverleden vereerde men Boot in Haarlem, en miste men, zoals Bomans dat schreef, “zijn gekromde gestalte die door de binnenstad slofte”.

Zijn graf is te vinden op Westerveld te Driehuis (Noord-Holland). 

collecties en lidmaatschappen
Zijn werken zijn opgenomen in verschillende collecties waaronder die van het Haags Gemeentemuseum, Frans Halsmuseum Haarlem, Singer muzeum Laren en de Rijkscollectie.

In Haarlem was Henri Boot samen met Herman Kruyder lid van de vereniging ‘Kunst zij ons doel‘, maar ontevreden met het behoudende karakter van die kunstenaarsvereniging richtte zij samen met enkele anderen in 1905 ook De Haarlemse Kunstkring op.  Verder was hij ook actief lid van vele andere verenigingen; 1912-45 – Kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken, Amsterdam, (eerste secretaris 1915-1921) 1931 – Vereeniging Sint Lucas, Amsterdam. 1932 – Kennemerse Kunstenaarskring, 1939 – voorzitter van Genootschap van beeldende kunstenaars Kunst Zij Ons Doel, Haarlem, 1941-1945 – Nederlandsche Kultuurraad en 1943-1961 – Arti et Amicitiae, Amsterdam.

zwaarst gestrafte collaborerende kunstenaar in Nederland 
Hoewel Boot een collaborateur was en na de oorlog een expositieverbod van zeven jaar aan zijn broek kreeg, waarmee hij de zwaarst gestrafte collaborerende beeldend kunstenaar in Nederland was, bleek de Haarlemse culturele en politieke elite na de oorlog bereid om zijn verleden toe te dekken. 

De ene tentoonstelling volgde de andere op. Op zijn 85ste verjaardag in 1962 werd hij zelfs uitgebreid bejubeld en gehuldigd in de Vishal, waarbij burgemeester Cremers hem ‘een van de geestelijke steunpilaren van Haarlem‘ noemde. 

politieke verleden
De houding van de stad veranderde pas toen de directeur van het Frans Halsmuseum, Derk Snoep, in de aanloop naar een overzichtstentoonstelling in 1998, aandrong op een publicatie waarbij ‘het politieke verleden van Boot niet opnieuw onder tafel zou worden geschoven‘. 

Tegelijk met de expositie verscheen een boek over Boot, geschreven door kunsthistoricus Michael Huig, dat duidelijkheid verschafte over het verleden van deze Haarlemse schilder;

Entartete Kunst
Al in 1937 reisde Boot naar Duitsland waar hij in München de beruchte tentoonstelling Entartete Kunst bezocht, een verzameling van alles wat in de ogen van de nazi’s afkeurenswaardig was. 

Kultuurraad
De inval van de Duitsers in Nederland, enkele jaren later, werd door Boot enthousiast begroet. 

Volkomen vrijwillig trad hij als een van de eersten in 1941 toe tot de Kultuurraad, een adviescollege van de bezetter, ingesteld door rijkscommissaris Seyss-Inquart. De Kultuurraad was een bestuursorgaan dat het Hollandse kunstleven tijdens de bezetting moest bestieren. 

Op een vergadering van een kunstenaarsvereniging, waarin de zogenaamde Ariërverklaring aan de orde werd gesteld, zei Boot over zijn joodse kunstbroeders: “Als ze een sta-in-de-weg zijn, dan moeten ze er maar uit”.

 Op aandringen van Boot trad de Haarlemse kunstenaarsvereniging Kunst Zij Ons Doel (KZOD) toe tot de Kultuurkamer, wat de uitsluiting van de Joodse leden tot gevolg had.

Rel 1999
In januari 1999 ontstond een rel, toen de gemeente Haarlem een klein bronzen beeld van Boot, gemaakt door beeldhouwer Mari Andriessen, wilde plaatsen in de buurt waar de schilder had gewoond en gewerkt. Het voormalig verzet vond het eerbewijs misplaatst, zo liet de Bond van Oud-Illegale Werkers (BOIW) aan Haarlems Dagblad weten. 

Ook verschillende kunstenaars keerden zich in de krant tegen het plan. Een van hen dreigde zelfs het beeldje ‘in de plomp’ te gooien. 

De joodse kunstschilder Jules Chapon, een oud-leerling van Boot die in de oorlog bijna zijn hele familie verloor, was tegen plaatsing van het beeld. 

Toch was hij mild in zijn oordeel. ‘Hij heeft geheuld met de moffen, maar hij heeft niets gedaan in zijn eigen voordeel.’

Schrijver Louis Ferron, die in zijn jonge jaren korte tijd droomde van een schildersbestaan en bij Boot in de leer ging, was vóór plaatsing. Hij zei; “Zet dat beeld gewoon neer met de tekst:

Henri Boot 1877-1963, lid van de Kultuurraad 1941-1945

Dan kunnen de mensen zelf hun conclusie trekken.”

Het beeldje is uiteindelijk niet geplaatst.

bron wikipedia/genealogieboot.nl/genealogieboot.nl
fotobron: genealogieboot.nl

Overleden na WOIIArti et AmicitiaeDe Nederlandsche KultuurkamerDe OnafhankelijkenSint Lucaskunstenaars in Amsterdam