Jan johannes Theodorus Schonk  

Schiedam 1889 – 1976 Soest 

 keramist, graficus, grafisch ontwerper, illustrator, schilder en tekenaar. Zijn onderwerpen waren voornamelijk landschappen, stillevens, dieren, vissen en vogels.

opleiding
Jan Schonk volgde lessen aan de Academie voor Beeldende Kunst en Technische Wetenschappen te Rotterdam.

1925
In 1925 begon hij met het vormen van potten die in Schoonhoven of in Leiderdorp werden gebakken. Ook richtte hij met A. Alblas een eigen bedrijf op in Oosterbeek. Dit bedrijfje heeft maar kort bestaan. 

1925-1930
Van eind 1925 tot begin 1930 was hij drie dagen per week in dienst van de NV Plateelbakkerij Zuid-Holland (PZH) te Gouda. Hij ontwierp reliëftegels, dierplastieken, siervazen en dekselpotten, met dierplastieken op de deksels. 

1930
Schonk werkte bij PHZ nauw samen met de plateelschilder Jo Bennis, die onder meer zijn tegels inkleurde. Samen zaten zij op een aparte werkkamer in de fabriek. Na onenigheid met de directie verliet hij begin 1930 de PZH in Gouda. Schonk werkte hierna korte tijd voor de Plateelfabriek Ivora ook te Gouda gevestigd. Bij Ivora ontwierp hij ook gelegenheidsaardewerk en beschilderde deze zelf. 

kunstafdeling
Er is ook korte tijd bij Ivora een kunstafdeling geweest onder leiding van Jan Schonk.

1931
Na 1931 wijdde Schonk zich volledig aan de grafische kunst. Met zijn houtsnedes, litho’s en etsen werd Schonk één van de belangrijkste grafische kunstenaars van de 20ste eeuw.

TH de jager
TH de jager, auteur van: ‘Jan Schonk, Een keurcollectie reproducties uit zijn werken’, uit 1931, schreef onder andere over hem:

“…Toen zag ik de nieuwe houtsneden die het hoofdbestanddeel vormden van z’n tentoonstelling bij Kleykamp. En de schilder zei: ‘nu heb ik m’n weg gevonden, nu kán ik wat ik wil.’

Ik stond er eerst vreemd tegenover. Als je met intense belangstelling het woeste groeisel van de na-oorlogse kunst meeleeft, en je voor de innerlikste begeerte van je ziel nauweliks bevrediging vindt in de tomeloos opvlammende dynamiek van het met mateloos geweld uitbarstende jonge leven, brengt werk als dit je in verwarring: werk van kalme bezinning, van sterke beheersing, van kuise beperking. Je hebt uit samenbotsing, ja samenstorting van zielekrachten het aanlichten gezien van ’n nieuwe schoonheid in een kreet, een schreeuw die diep in je ziel kerft; je hebt duizendmaal de reis gemaakt tussen wanhoop en blijmoedig vertrouwen, waar je telkens de kenmerken aantrof zowel van ’n wanhopig maar in het élan van levensdrift verhuld einde, als van ’n driest, maar innerlijk aarzelend, begin. En nu legt zo’n grafieker je in plaat na plaat de bewijzen voor van ’n kloekmoedig samenvatten van alle krachten; van ’n eenvoud die rijkdom; van ’n kalmte die zelfbezit is; van ’n vrede, die uit donkere zielenood is geklaard. Niet meer de virtuositeit van de uitzwervende lijn: maar de vaste harmonie van ritmiese vlakken; het enkele volle en reine accoord van diep zwart en klaar wit. De grootste soberheid: een of twee vogels, meest in rust; altijd steltlopers: reigers, ooievaars, kraanvogels, nimmerzatten, maraboe’s; nooit deze dieren om de afbeelding van het dier zelf; nooit het dier gegeven in de toevalligheden van z’n uiterlijk of de grillige natuurlijkheid van z’n lijnen; niet meer, als vroeger, om de typering van het dierwezen; maar gesynthetiseerd tot voorname harmonie; vereenvoudigd tot ’n enkel ritmies golvend vlak. En ook het landschap is iets anders dan de licht-doorvloten ruimte waarin het dier leeft, of de entourage vol groeisels rond z’n bekoorlijke verschijning: het is saamgevat in z’n wezenlijkste kenmerken: aanduidingen van stammen, takken, ‘lovervracht’; de vijver is nog slechts ’n wit vlak, spiegel des hemels in het duister bos; of ’n voetbreed water dat even rimpelt of waar ’n simpele bloem omhoog groeit.

Moeizaam en onder veel meditatie ontstaan deze platen, ‘elke plaat is me een bevalling’, zegt de artiest. 

Er is inderdaad tijd nodig en veel intens voelen, eer alle droesem van vluchtige ontroerinkjes, alle ballast van toevalligheden verdwenen is. 

Zo’n kunstenaar spaart zich natuurlijk ook niet ten opzichte van de techniek, handwerksman vol liefde voor z’n ambacht als hij is. 

En de décorateur in hem laat ook de uiterlijke welstandigheid niet los. Maar hoe ver boven techniese virtuositeit en decoratieve behagelijkheid verheft zich dit werk. Het spreekt in de beste stukken rechtstreeks tot het beste en diepste in ons.”

bron: stichtingnce.com / capriolus.nl /dbnl.org
foto bron: capriolus.nl

Overleden na WOII