Marianne Franken

Marianne Franken
door Oscar Schrover

Amsterdam 1884 – 1945 Bergen-Belsen

De kunstenaar Marianne Franken is geboren aan de Nieuwe Prinsengracht in Amsterdam op 11 maart 1884. Zij stierf kort voor de capitulatie van Duitsland op 4 april 1945, in het concentratiekamp Bergen-Belsen, Duitsland.

In 1917 treedt Marianne Franken als kunstenaar naar buiten. Zij exposeert als ‘beginnend kunstenaar’ op de Zomertentoonstelling in de Amsterdamse Kunstzaal Panorama. Aan deze tentoonstelling nemen behalve Marianne Franken ook deel: Piet Mondriaan,(1) Jan Sluyters, Else Berg, Wim Schuhmacher, Dirk Filarski en Harry Kuyten. De recensent in het Algemeen Handelsblad bevallen de ‘kleine bloemstukken’ die Marianne Franken op deze expositie laat zien. Frankens schilderijen boeien door ‘de gloed van fascinerende kleur’.(2)

In 1918 wordt Franken lid van Arti en neemt deel aan de de najaars- en ledententoonstellingen van deze belangrijkste kunstsociëteit. Arti, voluit ‘De Maatschappij Arti et Amicitiae’ is een belangrijk cultureel en sociaal trefpunt voor kunstenaars én de Amsterdamse elite. De voorname burgers van Amsterdam willen maar wat graag lid worden van Arti.(3) Het maatschappelijk belang van Arti valt af te lezen aan de artikelen die in kranten en tijdschriften verschijnen.(4) Franken is lid geworden van Arti op een moment dat de tentoonstellingen in de sociëteit met grote belangstelling werden gevolgd.(5) Haar lidmaatschap mag gezien worden als een blijk van erkenning voor Frankens talent en haar kundigheid als portrettist en stillevenschilder.

In 1918 schrijft de recensent van het Algemeen Handelsblad zuinig over het werk van Franken in de zalen van Arti.(6) Frankens stilleven – meent de krant – bezit naast de ‘petillante poppen’ van Lizzy Ansingh,(7) ‘weinig eigens om mee te tellen’.(8) Ter aanvulling: wat voor hem meetelde waren kabinetstukken die dezelfde ‘atmosferische frisheid’ bezaten als Nicolaas Beets Camera Obscura.

Marianne Franken heeft tijdens haar leven regelmatig tentoongesteld met de Amsterdamse Joffers, een groep kunstenaressen die aan het eind van de negentiende eeuw studeerden aan de Rijksakademie. De Amsterdamse Joffers drinken iedere week thee bij Therese Schwartze, of ontmoeten elkaar op het atelier van Simon Maris. Zij zijn allen uit een welgesteld milieu afkomstig en niet inkomensafhankelijk van de kunst. Thérèse van Duyl-Schwartze, wordt ‘de koningin van de Nederlandse schilderkunst’ genoemd en is de belangrijkste vrouwelijke kunstenaar uit die tijd. Thérèse van Duyl-Schwartze exposeert haar werk in de Kalverstraat, bij de vermaarde galerie Buffa en Zonen,(9) die ook internationale kunst verhandelt.

Franken munt uit in kinderportretten. Haar werk hangt tijdens haar leven regelmatig op zaal bij Arti en bij tentoonstellingen van de kunstenaarsvereniging ‘de Onafhankelijken’ in het Stedelijk Museum. Ook exposeert ze werken bij St. Lucas, de Rotterdamsche Vierjaarlijksche en neemt ze deel aan tentoonstellingen in het land, bijvoorbeeld in Pictura in Dordrecht.(10)

Franken schildert venters en kinderen uit de Joodse buurt en omgeving. Ze maakt portretten van Joodse persoonlijkheden, zoals de pianiste Marjo Tal, de historica Caroline Eitje,(11) de danseres Chaja Goldstein en de schilder Martin Monnickendam, die ze herhaaldelijk portretteert. Franken tekent en schildert ‘en plein air’, werkt in de stad Amsterdam en in Artis.

In 1924 vallen schilderijen van Marianne Franken op tijdens de voorjaars- en najaarstentoonstelling in Arti. In het voorjaar schrijft de criticus van De Tijd lovend over Frankens stilleven ‘Tafel bij modiste’.(12) De recensent van de Provinciaalse Overijsselsche en Zwolsche Courant prijst in het najaar Frankens ‘romantisch meisjesportret’, freule Marie de Jonge’s portret van Architect De Bazel en Georg Rueters portret van professor de Boer. Op deze tentoonstelling hangen werken van Jan Sluyters, de Amsterdamse joffer Lizzy Ansingh, die een portret van de weduwe van Theo van Gogh inzond, en werken van de schilders Wim Schuhmacher, Dirk Filarski en Arnout Colnot, allen lid van de Bergense School.

Wanneer Franken in 1933 in de grote zaal van de Vrouwenclub in Amsterdam exposeert, schrijft Martin Monnickendam in de Telegraaf dat haar werken ’qua couleur locale’ goed getroffen zijn. Franken raakt bij hem aan het gevoel van ‘thuis’. Kenmerkend voor de schilderkunst van Franken zijn een donkere, zware penseelstreek, zonder fijne overgangen die aan haar schilderijen een monumentaal karakter verlenen. De stijl van haar schilderijen noemt men Nederlands impressionisme, laat-impressionisme en tegenwoordig ook wel eens expressionisme.(13)

Franken begint pas laat aan haar opleiding als kunstschilder, want eerder ziet haar vader ‘geen toekomst in’ de kunst.(14) Eerst nadat zij ‘haar nood’ klaagt bij Martin Monnickendam en een olieverfportret van haar vader schildert, stemmen haar ouders in met haar opleidingswens.

Franken schrijft zich in 1910 in bij de Internationale Schildersateliers, waar Monnickendam lesgeeft. In 1910 heeft deze school, op voorstel van Geesje Mesdag-Van Calcar, lokalen geopend op Singel 512 – op een zolderverdieping.(15) De Internationale Schilderateliers is gevestigd in het voormalige foto-atelier van Max Büttinghausen. De leiding van de Internationale Schildersateliers is in de handen van de kunstenares Freule Marie de Jonge.(16)

De leermeesters Marinus van der Maarel,(17) Cornelis Spoor en Martin Monnickendam corrigeren in deze ateliers ‘stilleven en model’ naar voorbeeld van de Franse kunstscholen, waar gezamenlijk model wordt getekend én samen in een atelier gewerkt.

Het is onduidelijk tot wanneer Franken in de ateliers aan de Singel werkt. In 1918 neemt zij deel aan een expositie bij Arti. Waarschijnlijk heeft Franken zes of zeven jaar gewerkt aan de Singel. Maar ze kan er net zo goed tot 1920 zijn blijven modeltekenen. In dat jaar verhuist de instelling naar het Gooi waar Freule Marie de Jonge door de architect A.J. Boland een woonhuis in expressionistische stijl met 8 ateliers laat bouwen.

Na haar studies aan de Singel reist Franken naar Italië waar zij een tijdlang rondreist. Terug in Amsterdam richt de kunstenares een atelier in op het Prinseneiland – achter de Haarlemmerstraat. In deze buurt houden de Amsterdamse expressionisten G.H. Breitner en Kees Maks atelier. Marianne Franken schildert in haar atelier op Prinseneiland grote stillevens, kooplieden, knechten en kinderen uit de buurt.(18)

Marianne Franken werkt weliswaar op het Prinseneiland, maar ze woont bij haar ouders, Abraham Franken en Zipora Königsberger (geboren in 1854) . Nadat deze zijn overlijden, verplaatst Franken haar atelier naar de ouderlijke woning aan de Nieuwe Prinsengracht in Amsterdam.

Een interessante buurt waar veel gebeurde. In het Café Centraal op de hoek van de Nieuwe Prinsengracht en de Weesperstraat is in 1894 de Algemeene Nederlandse Diamantbewerkers Bond opgericht. Op deze illustere plek is de eerste moderne vakbond van Nederland opgericht. Voor de Tweede Wereldoorlog wonen er veel Joden in deze omgeving, zoals de uit Duitsland gevluchte Rabbijn Jacob Neubauer en Walter Süsskind, een vermaard Duits muziekpedagoog, de beeldhouwer Josef Mendes da Costa(19) en de graficus Samuel Jesserun de Mesquita, de leermeester van M.C. Escher.

Het is hier, schrijft Monnickendam, dat ‘het oude Amsterdamse getto begint’. De Binnen-Amstel met zijn Magere Brug, het oude mannen- en vrouwenhuis, de stoomboten en de schuiten, de Weesperstraat met vis en fruitstallen.(20)

In 1937 organiseert ze een atelierexpositie in haar huisatelier aan de Nieuwe Prinsengracht, die  wordt besproken in De Telegraaf door de belangrijke kunstcriticus Kaspar Niehaus.(21)

Tijdens de tweede Eeuwfeesttentoonstelling in 1939 ontving Franken de Tweede Premie voor haar stilleven met gele veer.(22) Haar laatste tentoonstelling vindt plaats in 1941. Op zaterdag 1 maart 1941 opent in Arti een tentoonstelling met werken van A. van Beek, Marianne Franken, C.M. Garms, H. Ijkelenstam en Harry Kuyten.

Franken is tijdens haar leven als kunstenaar steeds opgevallen tijdens groepsopstellingen vanwege haar sterke kleurgebruik en voorkeur voor ‘keukenstukken’, groepsportretten en kinderportretten.

Tot haar beste werken die zij exposeerde bij de verschillende kunstenaarsverenigingen in de hoofdstad en in de Kunsthandel, rekenen tijdgenoten haar stillevens met ‘kralensnoeren, veren, schoentjes en bloemen’. Kaspar Niehaus oordeelt in 1937 zelfs dat in haar stillevens en figuurstukken ‘soms iets van zonlicht schijnt’. Frankens werk is een voorbode van het moderne realisme van na 1945, dat vaak rauwer geschilderd, gekenmerkt wordt door sterke overgangen van licht naar donker.

1) een expressionistisch bloemenstilleven (Chrysanten).

2) C.W. in het Algemeen Dagblad, 8 augustus 1917 (Amsterdam, 1917) p. 6.

3) Arti is gevestigd in het Rijksmonument, Rokin 112; de architecten waren M.G. Tetar van Elven, J.H. Leliman, H.P. Berlage, A. C. Bleys (1855-1856 en 1893-1894), zie website Gemeente Amsterdam.

4) Ter vergelijking: tussen 1900 en 1910 verschenen er 2072 artikelen over ‘Arti’ in de pers, in de daarop volgende periode tussen 1910 tot aan 1920, en de Eerste Wereldoorlog valt in die jaren, verschijnen er maar 1269 berichten. Na de oorlog stijgt dan het aantal krantenberichten weer. In de periode van 1920 tot aan 1930 verschijnen er 3182 artikelen en van 1930 tot aan 1939 maar liefst 3816 artikelen. Na 1945 daalt het aantal artikelen weer. Tussen 1990 tot aan 1999 worden er slechts 376 artikelen over Arti in de kranten geplaatst. Daarmee is het aantal artikelen tot ongeveer het niveau van de periode 1850–1860 gedaald (411). Deze gegevens illustreren het toenemend belang van Arti op het eind en de eerste helft van de twintigste eeuw, waarna het belang van Arti terugliep. De groei van Arti valt ruwweg samen met een verlangen naar een nationaal-georiënteerde cultuur. De bouw en de opening van het Rijksmuseum zijn de voornaamste getuigen van de drang naar een nationale cultuur in de late 19de eeuw.

5) Aanvankelijk werkten beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, en musici samen in de Maatschappij. Maar zij vormden ieder hun eigen kring of vereniging gevormd. Dat deed hoogleraar-directeur van de Rijksacademie Antoon Derkinderen in 1920 verzuchten dat Arti een van die verenigingen was geworden met uitsluitend schilders die van de Maatschappij wellicht hun ‘onvervreemdbaar aura’ zouden maken.Antoon Derkinderen ‘De Feestreden’ in De Gids, jaargang 84, 1920, Eerste Deel (Amsterdam: P. N. van Kampen, 1920), p. 141–3.

6) Het lidmaatschap van de Maatschappij was voor de kunstenaars sociaal en economisch belangrijk. De kunstlievende leden van de Maatschappij waren afkomstig uit de aristocratie en de welgestelde burgerij en behoorden tot de clientèle van portretschilders en stillevenschilders. Die kunstlievende leden genoten soms ook bestuurlijke invloed, omdat de kieswet van 1850 bepaalde dat de leden van de Eerste Kamer werden gekozen door leden van Provinciale Staten uit de hoogstaangeslagenen in de provincie. Beschermvrouwe van Arti was koningin Wilhelmina die jaarlijks een medaille aan een verdienstelijk kunstenaar uitreikte.

7) Pétillant: schuimend, bruisend, fris.

8) M.V. in Algemeen Handelsblad van vrijdag 6 september 1918, p. 6.

9) Buffa verkocht schilderijen van Jozef Israëls, J.H. Weissenbruch en de gebroeders Maris, alsook van de schilders uit Barbizon, en de Amsterdamse Impressionisten George Hendrik Breitner en Isaac Israëls en expressionisten als Kees van Dongen en Jan Sluijters.

10) S.J. Mak van Waay, ‘Marianne Franken’ in de Lexicon der Nederlandsche schilders, 1870–1940 (Amsterdam: NV Wereldbibliotheek,1944), p.39.

11) Marianne Franken had persoonlijk contact met Caroline Eitje, die een biografische schets van Franken achterliet in de archieven van het Joods Historisch Museum.

12) Zie De Tijd, woensdag 9 april 1924,Tweede Blad.

13) ‘Nederlandse expressionisten’ in De Telegraaf, 27 april 2018.

14) Martin Monnickendam,1933.

15) Singel 512, oorspronkelijk ontworpen als Vaudeville-theater en daarna omgebouwd tot kantoor door de Joodse architect Isaac Gosschalk. een leerling van G. Semper. Hij bouwde o.a. de synagoge in ’s-Hertogenbosch. Het bovendeel van het pand Singel 512 is van belang voor de vroege geschiedenis van de fotografie in Amsterdam, alsook vanwege het Internationale Schildersatelier en C.Ritsema, een Amsterdamse joffer die er werkte. (Instituut voor Cultureel Erfgoed).

16) Freule Marie de Jonge studeerde aan de Academie van Den Haag en de Rijksacademie, waar ze lessen bij Prof. N. van der Waay volgde. Andere leerlingen van Van der Waay zijn: Lizzy Ansingh, Tjeerd Bottema, Piet Mondriaan en Jan Sluijters.

17) Marinus van der Maarel (1857–1921), studeerde aan de academie van Den Haag en kreeg daar les van o.a. Willem Maris.

18) Martin Monnickendam, 1933.

19) Da Costa was getrouwd met de zuster van de graficus Samuel Jesserun de Mesquita.

20) Martin Monnickendam in ‘Marianne Franken’, Ha-Ischa, Orgaan van den Joodschen Vrouwenraad in Nederland, 1933, 1933/11 (Amsterdam: J.L. Joachimstal, 1933) p. 199-200.

21) Niehaus was een vooraanstaand kunstcriticus van De Telegraaf. Als kunstenaar rekent men hem tot de Bergense School.

22) S.L. Schwartz ontving de Eerste Premie.

23) Kaspar Niehaus, 6 november 1937 in De Telegraaf.

Overleden tijdens WOIIArti et AmicitiaeArtis tijdens WO IIThérèse SchwartzeVrouwelijke kunstenaars