Max Taillieur

Mozes ‘Max’ Tailleur

Amsterdam 1909 – 1990 Amstelveen

De Amsterdamse komiek Max Tailleur staat bekend als een van de grootste Nederlandse moppentappers ooit. Toen hij stierf, liet hij een kaartenbak met ongeveer 3.000 moppen na, vooral de nog steeds bekende ‘Sam-en-Moos-moppen’. Tailleur, zelf jood, vond het vooral leuk moppen over het jodendom te vertellen.

Tailleur is ook bekend geworden vanwege zijn uitvinding van de kledingzak – de ‘Zak van Max’ (1967) – bedoeld om tweedehands kleding mee in te zamelen.

Daarnaast vond hij ‘De Geinlijn‘ (1971) uit, een telefoonnummer dat je kon bellen om voor twintig cent een goede mop te horen.

Tussen 1953 en 1988 werden van zijn verschillende moppenbundels gezamenlijk 1,6 miljoen exemplaren verkocht.

jeugd
Tailleur werd geboren in een eenvoudig gezin in de Amsterdamse Jodenbuurt. Zijn vader, Hijman Tailleur, was handelsreiziger en fabrikant en zijn moeder, Schoontje Erwteman, was huisvrouw. Op de lagere school bleek Max geen talent. Hij was vooral bezig met moppen tappen in de klas. Max volgde nog een paar jaar de ULO, maar ging toen van school af en trad bij zijn vader in dienst als handelaar in spiegels en schilderijlijsten. Max was echter drukker met het vertellen van verhalen en grappen dan met het verkopen van handelswaar, waarop zijn vader – na lang wikken en wegen – besloot zijn zoon te ontslaan. Serieuze betrekkingen als handelsreiziger en diamantslijper werden een mislukking.

diamantslijper
in 1935, was Tailleur opnieuw begonnen met werken bij zijn oom in Antwerpen als diamantslijper. Hij vond deze baan nog steeds niet echt leuk. Een mooie compensatie waren echter de avonduren, wanneer hij – als ‘pauzeattractie’ – vaak in Antwerpse bioscopen als komiek optrad. Dit deed hij tot in 1940 voor Nederland en België de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

huwelijk
Op 23 maart 1936 trouwde Max Tailleur met Sophia Wijnschenk (1908-1990). Ze kregen geen kinderen.

WO II
Kort nadat Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnenviel, probeerde Tailleur via Duinkerken Engeland te bereiken, wat mislukte. Terug in Antwerpen vulde hij zijn tijd en buidel met optreden als conferencier en komiek. Hij trad zelfs ook nog op als balletdanser.

In 1942 probeerde Tailleur opnieuw om in Groot-Brittannië te komen (hij wilde daar in een verzetsleger dienen). Via Frankrijk belandde Tailleur in het Zwitserse interneringskamp Cossonay. Al snel was hij hier druk doende om de Nederlandse geïnterneerden te vermaken met zijn grappen.

Hij regelde dat zijn vrouw ook naar Zwitserland mocht komen, waarna hij en zijn vrouw in het familiekamp Montpellerin geplaatst werden. Hier was Max Tailleur werkzaam in de keuken, terwijl hij op vrije momenten cabaretshows gaf. Enkele maanden na D-Day, op 6 juni 1944, lieten de Zwitsers de geïnterneerden vrij; dit gebeurde in de herfst van 1944.

Hierna keerden de Tailleurs terug naar Nederland, alwaar Max Tailleur zich mocht aansluiten bij de Koninklijke Nederlandsche Brigade ‘Prinses Irene’.

Tot juni 1946 was Max Tailleur vervolgens werkzaam als stafmedewerker van prins Bernhard op Paleis Soestdijk.
Hij werd tekstschrijver voor cabaretiers zoals Snip en Snap.

toneelclub
In de jaren 1947-1948 maakte Max Tailleur diverse tournees door Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Toen Tailleur terugkeerde in Nederland, richtte hij een eigen toneelclub op, die tussen 1950 en 1952 optrad voor joodse verenigingen door heel Nederland. Stukken die op de agenda stonden waren onder meer ‘Tevje de melkboer’, ‘Elias weet ’t beter’, ‘Abie’s lrish Rose’ en ‘De ouwe Sieglitz’, allen bewerkte uitvoeringen van bestaande Jiddische toneelstukken.

In het begin ging het best goed met Tailleurs toneelgroep, maar na enkele jaren maakte hij alleen maar verlies en doekte de toneelgroep helemaal op. Hierna kon Tailleur aan de slag als invaller in Noordwijk, in het cabaret ‘Wiener Café’. Tailleurs’ optredens daar waren een ongemeen succes, waarop Tailleur besloot zelf een cabaretclub te openen.

De Doofpot
In1952 opende Max Tailleur op het Rembrandtplein te Amsterdam een eigen cabaretclub: ‘De Doofpot’. De zaal zat meteen stampvol. Tot eind 1966 bleef een avondje naar De Doofpot een populair uitje in Mokum. Op een gemiddelde avond in De Doofpot schudde Tailleur doorgaans zo’n 250 witzen (moppen) uit zijn mouw.

Mede door deze cabaretclub groeide Max Tailleur in het naoorlogse Nederland uit tot de beroemdste vertolker van joodse humor. Via het vertellen van Jiddische moppen hield hij de vooroorlogse ‘Amsterdamse gein’ over joden in leven en verdrong hij voor zichzelf het verdriet om de talloze joodse familieleden en vrienden die tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen waren in kampen als Auschwitz, Sachsenhausen en Sobibor.

Lachen om niet te huilen’, dat was wat Tailleur sindsdien nastreefde. Niet alleen om het verdriet van de Holocaust te verdringen, maar ook vanwege zijn eigen depressies en – vanaf 1956 – telkens oplevende reumatische pijnen.

In 1953 publiceerde Tailleur zijn eerste Sam en Moos-moppenboek, getiteld ‘Langs m’n neus weg‘. In Amsterdam was Tailleur toen al een grote bekendheid.

Zo trad hij op 25 september 1954 in Tuschinski in Amsterdam op tijdens de afscheidsavond van revue-artieste Heintje Davids (1888-1975), met wie hij veel had samengewerkt.

Op het programma stonden onder andere ook de cabaretiers Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans.

reuma
Vanwege zijn reumaproblematiek werd Tailleur in 1962 en 1966 opgenomen in het ziekenhuis. Daarom, op doktersadvies, besloot hij in maart 1966 om ‘De Doofpot‘ te sluiten. In een interview in De Telegraaf op 23 maart 1966 vertelde Max Tailleur de journalist:

Ik kon soms helemaal niet lopen. Ik moest van de kruk worden afgedragen, waar ik mijn moppen zat te vertellen en soms moest ik in de pauze van mijn optreden in de kleedkamer huilen van de pijn. Het publiek heeft daar nooit iets van gemerkt.”

wereldtounees
Kort na het sluiten van ‘De Doofpot‘ maakte Tailleur, in de zomer van 1966, een reis naar Nederlandse emigranten overzee om voor hen op te treden. Deze reis was éée van de in totaal veertien wereldtournees die Tailleur in zijn leven maakte. Op 21 oktober 1969 betrad Max Tailleur in Eindhoven voor de laatste keer de bühne; hij was op dat moment zestig jaar.

‘Geef Max de Zak’
In 1967 startte Max Tailleur een nieuw initiatief: ‘Beter met Max’.
Via ‘De Zak van Max’ werd er kleding ingezameld ten bate van de arme behoeftige medemens. Via radio en televisie werd deze actie volop gepromoot en was een enorm succes worden die tweedehands verkocht werd.

De opbrengst was voor de stichting ‘Beter met Max’ (later de Max Tailleurstichting geheten), die minder draagkrachtige reumapatiënten hielp om bijvoorbeeld in Israël kuren te volgen tegen reuma. In maart 1972 kreeg Tailleur voor dit initiatief in Den Haag de Visser-Neerlandiaprijs toegekend.

Charitatieve instellingen hebben later deze actie overgenomen, waarbij te denken valt aan de rode zakken van het Leger des Heils die regelmatig in de brievenbussen vallen, of de grote bakken van onder meer het Rode Kruis, waarin overdadige kleding en schoenen kunnen worden gedeponeerd voor hergebruik door mensen die leven onder de armoedegrens.

De Geinlijn
In mei 1971 begon Max Tailleur een nieuwe onderneming, genaamd ‘De Geinlijn‘. Wie belde met het nummer 020-211811 kon via een opname ‘de mop van de dag’ horen, voor 20 cent. De Geinlijn werd al snel erg populair. Met acht miljoen belletjes werd in 1979 een populariteitspiek bereikt.

overlijden
De laatste jaren van zijn leven woonde Max Tailleur hoofdzakelijk in Nice te Frankrijk – waar hij een tweede huis had -, omdat het Franse klimaat beter was voor zijn reuma dan het Nederlandse.

Tailleur overleed op 12 oktober 1990 in Amstelveen, twee maanden na het overlijden van zijn vrouw.

Zijn lijfspreuk luidde:

Ik lach om niet te huilen’

Max Tailleur zingtIzak Meyers wiegelied

bron: wikipedia / historiek.net

Overleden na WOII