Paul Citroen

Roelof ‘Paul’ Citroen

Berlijn 1896 – 1983 Wassenaar

Paul Citroen was een Nederlands kunstenaar, leraar en medeoprichter van de Nieuwe Kunstschool te Amsterdam.

jeugd
Paul Citroen werd in 1896 geboren in Berlijn. Zijn moeder kwam uit Berlijn en zijn vader was een uit Amsterdam afkomstige bonthandelaar. Sinds hun huwelijk, in 1893, woonden ze in Berlijn.

Het gezin behoorde tot de gegoede burgerij waar respect voor de culturele traditie vanzelfsprekend was. Geestelijke prestaties stonden hoog aangeschreven. Deze opvoeding, waarin het zogenaamde Duitse Bildungs-ideaal centraal stond, heeft een grote invloed op Citroen gehad.

talent
Paul Citroen’s talent manifesteerde zich al vroeg. Op zijn veertiende al verliet hij het gymnasium en kwam terecht op een tekenschool.

opleiding
Twee jaar later, in 1912, vervolgde Paul zijn opleiding aan de Studien-Ateliers für Malerei und Plastik te Berlijn. Daar leerde hij volgens de traditionele academische onderwijsmethode tekenen naar de natuur, onder meer van de inspirerende schilders en grafici Max Liebermann en Adolphe Menzel. Van Liebermann nam Citroen de techniek van het snelle schetsen over, waarbij het potlood niet van het papier komt.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog kwam Citroen op deze kunstacademie voor het eerst in aanraking met moderne kunst.

De achttienjarige Citroen, die op de kunstacademie in de naturalistische stijl was opgeleid, was zo onder de indruk van de moderne kunst dat hij ook op een expressionistische manier probeerde te schilderen. Tot zijn spijt kwam hij er achter dat het abstracte hem niet lag. Gedesillusioneerd hield hij op met schilderen en tekenen.

boekhandelaar
Toen Walden in 1916 zijn in moderne kunst gespecialiseerde galerie in Berlijn uitbreidde met een boekhandel, benoemde hij Citroen als eerste boekhandelaar. Daar verkocht Citroen, behalve boeken over kunst, ook moderne kunst.

kunstverzameling
Via deze boekhandel leerde hij veel bekende kunstenaars uit het Berlijnse culturele leven kennen van wie hij langzaamaan zelf kunst begon te kopen.

Zo begon Citroen in een vroeg stadium zijn kunstverzameling die later tot een interessante collectie moderne kunst zou uitgroeien, met werken van kunstenaars als Alexej von Jawlensky, Wassily Kandinsky, Paul Klee en Oskar Kokoschka.

Hij had een goede neus voor de kunsthandel. Galeriehoudster Eva Bendien vertelde in 1997 over haar oom: ‘Hij was een schilder, maar van nature was hij ook een handelaar, […] hij had veel grafiek in huis van kunstenaars als Klee, Kirchner, Kokoschka.

WO I
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Citroen gemobiliseerd in het Nederlandse leger omdat zijn vader Nederlander was. Als Nederlands dienstplichtig soldaat was hij gelegerd in Alkmaar. Hij werd na enkele maanden op medische gronden afgekeurd, besloot voorlopig in Nederland te blijven en kwam ook in Nederland in het boekhandelsvak terecht.

Dada-beweging
Langzaamaan begon hij ook weer te tekenen. Na de oorlog vertrok hij opnieuw naar Berlijn en raakte verzeild tussen leden van de anarchistische Dada-beweging. Hij maakte zijn eerste collages en montages, geïnspireerd door zijn Dada-vrienden. Hij experimenteerde met knippen en plakken uit stukken krant, foto’s en prentbriefkaarten.

Toen hij in 1920 weer in Amsterdam verbleef, werd hij de officieuze vertegenwoordiger van de Dada-beweging voor Nederland en propagandist voor de moderne kunst van Der Sturm.

Hij heeft zelf altijd zeer relativerend over zijn fotomontages gesproken omdat hij weinig belang hechtte aan deze ‘Spielerei’. (De fotocollage ‘Metropolis’ uit 1923 zou hem later echter internationaal bekend maken.)

Johannes Itten
Op aanraden van Muche, inmiddels docent bij het Bauhaus te Weimar, schreef hij zich in 1922 in voor de opleiding bij deze instelling. Deze door Walter Gropius opgerichte vooruitstrevende kunstschool, met beroemde leraren als Johannes Itten, Kandinsky en Klee, legde sterk de nadruk op de persoonlijke ontplooiing van leerlingen.

Citroen volgde het door Itten ingestelde voorbereidende jaar, de zogenoemde ‘Vorkurs’. Itten was een inspirerende leraar. Zijn tekenleer, die uitging van het materiaal, opende de ogen van Citroen en heeft zijn tekenstijl blijvend beïnvloed.

Later zou hij de principes van Itten vertalen voor het Nederlandse kunstonderwijs.

Kandinsky
Zijn tweede belangrijke leermeester bij het Bauhaus was Kandinsky, die er lessen gaf in analyse en synthese.

discrepantie
Na twee jaar vertrok Citroen al uit Weimar omdat in het Bauhaus de nadruk lag op het constructieve en niet op het expressieve.
Het was de tweede keer dat hij de aansluiting bij de moderne kunst miste. De discrepantie tussen het willen en kunnen maken van moderne kunst heeft hem jarenlang dwarsgezeten.

Zijn jaren te midden van de avant-garde in het bruisende Berlijn en het modernisme van het Bauhaus zijn zo bepalend en van blijvende waarde geweest, dat hij hier vaak op terugkwam.

Jongere kunstenaars vroegen hem jaren later voortdurend en niet tevergeefs naar zijn Dada-episode en het Bauhaus. Op die manier hield hij zijn roemrijke geschiedenis in leven.

fotografie
Citroen keerde in 1924 terug naar Berlijn en leerde fotograferen van fotograaf en vriend Otto Umbehr, die hij nog kende van het Bauhaus. Citroen paste al wel moderne en nieuw verworven Bauhaus-inzichten toe bij het fotograferen, maar erg serieus nam hij het nog niet.

Vervolgens reisde Citroen een tijdje voor de kost door Europa als bont- en kunsthandelaar. Hij reisde tussen Berlijn, Amsterdam, Parijs en Basel tussen 1924-1928. Vijf jaar later, in 1929, pakte hij de fotografie weer op.

huwelijk
Hij ontwikkelde zich tot een zeer verdienstelijk fotograaf. Citroen woonde toen inmiddels al sinds 1928 in Amsterdam. Zijn eerste camera kreeg hij bij zijn huwelijk in 1929 met Céline (Lien) Bendien, de zus van Jacob Bendien, (die in 1961 zou overlijden).

Zij kregen samen een dochter; Paulien. Aanvankelijk maakte hij familiefoto’s maar vanaf 1930 legde hij zich toe op de professionele portretfotografie.

portretten
Het portretteren van bekende kunstenaars, wat hij zijn hele leven zou blijven doen, begon met de fotografie. Via zijn zwager en vriend, de kunstschilder Jacob Bendien (met wie hij een atelier deelde), kwam hij in de jaren dertig terecht in de kring van de jonge avant-gardistische en politiek vaak links gerichte Amsterdamse kunstenaars-bohème.

Zo fotografeerde hij onder meer de danseres Estella Reed, de cabaretière Erika Mann, de beeldhouwers John Rädecker en Hildo Krop, de architect Gerrit Rietveld, de kunstenaar-emigrant László Moholy-Nagy, de schilders Else Berg, Thijs Rinsema en Carel Willink en de schrijver Rein Blijstra.

De veelzijdige kunstenaar Citroen heeft tijdens het interbellum (1919-1939; de tijd tussen twee wereldoorlogen) om in zijn onderhoud te voorzien veel werk aangepakt. Met tekenen en schilderen verdiende hij niet voldoende.

Naast zijn werk als portretfotograaf, handelde hij ook in moderne kunst. Voorts schreef hij graag. Regelmatig publiceerde hij beschouwingen over eigentijdse beeldende kunst, aanvankelijk in het Duits en later in het Nederlands. Hij volgde de ontwikkelingen in de kunst op de voet. Zijn eerste artikel, over Marc Chagall, had hij al in 1917 in Der Sturm gepubliceerd.

vernieuwing van het Nederlandse kunstonderwijs
Citroen heeft door zijn activiteiten aanzienlijk bijgedragen aan de vernieuwing van het Nederlandse kunstonderwijs. Geïnspireerd door zijn Bauhaus-ervaringen, stichtte hij in 1933 met Charles Roelofsz en Jan Havermans de Nieuwe Kunstschool te Amsterdam, waar hij de principes van het Bauhaus in praktijk bracht.

Op deze opleiding ontmoette ook het kunstenaarsduo Galinka Ehrenfest en Jacob Kloot elkaar. Zij werden later de drijvende kracht achter de publicatie van de kinderboeken door het samenwerkingsverband El Pintor.

De Nieuwe Kunstschool was een zeer vrije school en bovendien de eerste ongesubsidieerde academie in Nederland.

De school heeft tot juli 1943 bestaan. Citroen ging uit van de mogelijkheden van de leerling. Citroen paste de tekenleer van zijn voormalige Bauhaus-leraar Johannes Itten toe in zijn eigen onderwijs. Voor lezingen en cursussen nodigde hij eveneens kunstenaars uit.

Zo trad Itten er op als gastdocent. Volgens oud-leerling Jan Bons bezat Citroen een groot vermogen om leerlingen te stimuleren: ‘Citroen bracht de levende Europese kunst binnen het gezichtsveld en formuleerde een uitgangspunt voor de school, waarbij het accent meer op de ontplooiing van de leerling werd gelegd dan op het leren van een vak. Dat was nieuw in het Nederlandse kunstonderwijs’. Het principe van een voorbereidend jaar is later ook door talloze academies overgenomen om een bewustere vakkeuze te bevorderen.

docentschappen
Citroen combineerde vanwege de grotere financiële zekerheid zijn Amsterdamse docentschap vanaf 1935 met een baan aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag. Aanvankelijk doceerde hij daar reclame aan de avondopleiding.

Vanaf 1937 gaf hij schilderen en tekenen aan de dagopleiding; om die reden stopte hij in dat jaar met zijn lessen aan de Nieuwe Kunstschool. Met een onderbreking door de oorlogsjaren heeft hij tot 1960 aan de Haagse academie lesgegeven. Hij behoorde daar met Rein Draijer, W.J. Rozendaal en Willem Schrofer tot de jongere docenten die vernieuwingen introduceerden.

WO II
Tijdens de Tweede Wereldoorlog dook Paul Citroen met vrouw en dochter onder in ‘s-Graveland.

Jan Wolkers
Vlak na de Tweede Wereldoorlog kreeg beeldend kunstenaar en schrijver Jan Wolkers les van Paul Citroen op de Haagse academie. Vijftig jaar later herinnert Wolkers zich in een droom diens inspirerende lessen:

‘We zaten in het kunstgeschiedenislokaal van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, een paar jaar na de oorlog.

Jacometti was verhinderd en daarom nam Paul Citroen, die schilder- en tekenles gaf aan de Academie, het van haar over. Een belevenis! Het was onmogelijk om dat nog ooit te vergeten.

Op ravenwieken schoot hij door de geschiedenis van de kunst. Van de slangengodinnen van Kreta met hun uitdagende siliconenborsten uit hun opengespleten gewaad tot aan de kunstenaars van Das Bauhaus, waar hijzelf ook nog gewerkt had voordat Hitler de hemel boven Germanië in de bruine was van de rancune van de Spiessbürger zette. Het was adembenemend, ook voor hem. Soms spottend zijn joods-duits accent overdrijvend, dan dodelijk ernstig als hij het over de schilders van Die Brücke had. Dan weer zo vurig begeesterd dat je bang was dat hij tot een schilderij van Kandinsky uit elkaar zou spatten. Er werden lijnen getrokken als regenbogen en het rookspoor van sissende vuurpijlen.’

Wassenaar
Op zijn veertigste, in 1936, vertrok Citroen met zijn vrouw en zesjarige dochter uit Amsterdam naar de Oostdorperweg 100 te Wassenaar, waar hij tot aan zijn dood in 1983 zou wonen. In dit huis had hij ook een atelier waar een aantal schrijvers is geportretteerd. Zoals Alfred Kossmann, die beschreef hoezeer het huis de typische sfeer van een kunstenaar uitstraalde: ‘Zijn huis is een lang leven, met eigen schilderijen van vroeger, schilderijen van vrienden, […] We zaten opgewekt te praten, over Thomas Mann, over Goethe, voor wie wij beiden grote bewondering hebben, en ik voelde mij thuis in zijn huis dat ook zijn leven is, thuis dus eigenlijk in zijn leven, een ervaring die ik me herinner van slechts enkele andere woningen, en dat waren ook woningen van beeldende kunstenaars.’

postzegelontwerpen
In 1949 decoreerde Citroen de kerkzaal van de hervormde Maranathakerk aan de 2e Sweelinckstraat in de wijk Duinoord in Den Haag. Hij werkte daarbij nauw samen met de architect Frits Eschauzier uit Bussum. Citroen ontwierp voor hetzelfde jaar tevens de Zomerpostzegels, in een opvallende en ook omstreden kleurstelling met uitsluitend geel, groen en blauw.

collectie
Paul Citroen was ook een groot verzamelaar van kunst. Een deel van zijn collectie is nu te vinden in de collectie Hannema-de Stuers Fundatie, in Heino. In 1948 verkocht Citroen een groot werk van Carlo Carrà (‘Begrafenis van de anarchist Galli’, 1911) aan het Museum of Modern Art in New York.

lidmaatschappen
In 1934 was hij al lid van de Haagsche Kunstkring geworden. Hij was tevens lid van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio te Den Haag dat was opgezet door de broer van Leonardus Verveer.

prijzen
Paul Citroen ontving in 1950 de Jacob Maris Materiaalprijs en in 1953 de Jacob Hartog Prijs.

oeuvre
Zijn oeuvre bestaat onder meer uit schilderijen, foto’s en postzegelontwerpen. Zijn bekendste werk is wellicht ‘Metropolis’ (1923), een fotomontage van een grote stad. Het inspireerde de Duitse regisseur Fritz Lang bij het maken van de filmklassieker Metropolis.

hertrouwen
Citroen hertrouwde in 1964 met Christi Frisch, die na het overlijden van haar man in 1986 ervoor zorg droeg dat de collectie grotendeels bij elkaar bleef en zo, onder andere, het negatievenarchief van Citroen overdroeg aan het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden.

Overijssel
De grootste collectie van Citroens werk is eigendom van de provincie Overijssel: uit de periode 1973-1975 bezit de provincie ruim 2000 werken.

werken zijn ondergebracht in o.a. het Gemeentemuseum te Den Haag, Hermann-Hesse-Museum, Calw., Letterkundig Museum, Den Haag, Museum De Fundatie, Zwolle, Rijksmuseum Amsterdam, Prentenkabinet Rijksuniversiteit Leiden, Stedelijk Museum Amsterdam, MoMA, New York, Metropolitan Museum of Art, New York en het Art Institute of Chicago.

De kunstenaar was ondanks zijn vele landschappen en stillevens vooral een portrettist. Hij liet ongeveer 7000 portretten na, waaronder zeer veel bekende persoonlijkheden, geschilderd, gefotografeerd en vooral getekend. “Da ich ein Porträtist bin, steht mir der Mensch vor der Kunst. Ohne die Menschen gäbe es sie nicht.”

Overlijden
Paul Citroen overleed te Wassenaar in 1983. Enige jaren voor zijn dood zei hij tijdens een vraaggesprek:

“Ik vind het weliswaar niet prettig, maar toch ook niet onbillijk om te sterven.”

bron: wikipedia / cultuurarchief / schrijversportretten

Overleden na WOIIKunstenaars in Parijs